Terbeschikkingstellingsregeling en de IB
De terbeschikkingstellingsregeling heeft betrekking op de situatie waarin een directeur/groot-aandeelhouder (dga) privébezittingen verhuurt of in gebruik heeft binnen zijn bedrijf.

Het meest voorkomende geval is verhuur van een pand aan de BV of aan een BV van een aan hem verbonden persoon. Ook kan worden gedacht aan het gebruik van een pand in het kader van een eigen onderneming (of werkzaamheid) of die van een verbonden persoon. Maar ook privekunst, opgehangen in het bedrijfspand, zal bij verwijdering, fiscaal worden aangeslagen in IB-box 1. Waardevermindering creeert uiteraard een verliespost, de in mindering mag worden gebracht.

Opties worden gelijkgesteld
Het verkrijgen of het hebben van rechten uit een optieovereenkomst of uit een daarmee vergelijkbare overeenkomst wordt gelijkgesteld met het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen aan de eigen BV of de BV van een verbonden ondernemer. Er kwamen namelijk steeds meer geluiden dat belastingvoordelen werden behaald door het afdekken van waardeveranderingen middels optiecontracten.

Voorbeeld

    BV A bezit een pand met een boekwaarde van 100 en een waarde in het economische verkeer van 120. De dga en zijn BV komen een calloptie overeen op grond waarvan hij gedurende drie jaar het recht heeft om het pand te kopen voor een prijs van 120 tegen een optiepremie van 10. Na twee jaar oefent hij zijn optie uit. De waarde in het economische verkeer is dan inmiddels gestegen tot 160. De waardestijging van 120 naar 160 blijft buiten de heffing van vennootschapsbelasting. Uitsluitend de optiepremie van 10 is belast. De calloptie behoort tot het moment van uitoefenen bij de dga in privé tot de heffingsgrondslag in box 3.

    Volgens de overheid had de transactie in bovenstaand voorbeeld geen reële economische betekenis, maar is het uitsluitend aantrekkelijk vanwege de fiscale gevolgen. Daarom is dit veranderd. Voortaan is de waardestijging, onder aftrek van de optiepremie, belast. Voor de dga vallen zijn opties in box 1 en worden zij belast als resultaat uit overige werkzaamheden. Om te voorkomen dat de nieuwe regeling al te simpel kan worden ontdoken, vallen niet alleen opties eronder maar ook vergelijkbare rechten.
    Een voorbeeld hiervan is een stock appreciation right, die de houder geen recht geeft om een aandeel te kopen maar wel het recht op de waardeverandering van dit aandeel.

    Het zal niet altijd gemakkelijk zijn om de waarde in het economische verkeer van de optierechten te bepalen. Toch is die waarde van groot belang, omdat die moet worden vermeld op de openingsbalans van de werkzaamheid.

Werkkamer in huis
Heeft u een werkkamer bedrijfsmatig in uw privé-woonhuis dan valt deze in principe ook onder de regeling. Dit betekent dat de huurinkomsten minus de daarop drukkende kosten belast worden tegen het progressieve tarief in box I. Ook de waardestijging van de werkkamer is bij verkoop van de woning of bij beëindiging van verhuur (tegen een mogelijk fictief bedrag, wat de Belastingdienst mag vaststellen aan de hand van de vierkante meters en overeenkomstige huur bij andere panden) aan de B.V. belast.

Uitzondering
Onder bepaalde voorwaarden is de verhuur van de werkruimte in de eigen woning echter belast in box III. In box III zal dan over de waarde van de werkruimte minus de daarop drukkende hypotheek een heffing worden opgelegd van per saldo 1,2 procent over de waarde, minus schulden. Over waardestijgingen bent u behalve het jaarlijkse forfaitaire rendement, geen inkomstenbelasting verschuldigd bij verkoop. De werkelijke huurinkomsten zijn niet belast, de kosten zijn niet aftrekbaar (ook de hypotheekrente niet).

Voorwaarden
De voorwaarden voor heffing in Box III zijn:

  • het gaat om een werkruimte, die fysiek niet als een zelfstandig deel van de woonruimte is te onderscheiden;
  • de oppervlakte van de werkruimte is niet groter dan een derde deel van de oppervlakte van uw eigen woning.

Van belang bij bovengenoemde regeling is dat ook indien een werkkamer om niet (gratis) ter beschikking wordt gesteld aan de B.V., deze wel op bovengenoemde wijze in de heffing betrokken wordt.
Daarnaast is van belang dat de woning alleen voor dat deel dat niet valt in Box III onder de eigen-woning- regeling valt. Dit houdt in dat ook alleen voor dat deel de hypotheekrente aftrekbaar is. Deze laatste consequentie kan ervoor zorgen dat de regeling minder aantrekkelijk uitpakt.

Verbonden personen
Een thuiswonend kind ouder dan 27, dat niet voor fiscaal partnerschap met de ouder heeft gekozen, behoort niet meer tot de kring van verbonden personen. Dit kind wordt voortaan op gelijke wijze behandeld als een uitwonend kind. Gevolg hiervan is dat de terbeschikkingsregeling in principe niet van toepassing is, tenzij er sprake is van een maatschappelijk ongebruikelijke terbeschikkingstelling.

Als verbonden personen gelden:

  • de partner van de belastingplichtige;
  • degene die ten overstaan van de notaris een samenlevingscontract heeft gesloten met de belastingplichtige;
  • degene die voor de toepassing van een pensioenregeling als partner van de belastingplichtige is aangemerkt;
  • degene die samen met de belastingplichtige een eigen woning bewoont en aansprakelijk is voor een schuld waarbij die woning als onderpand dient;
  • degene die in een jaar langer dan 6 maanden met de belastingplichtige op hetzelfde adres in het bevolkingsregister staat ingeschreven en overigens voldoet aan de wettelijke eisen om als partner aangemerkt te worden, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat niet samengewoond wordt;
  • de minderjarige kinderen.

Van kind aan ouder
Ook is nu expliciet in de wet opgenomen dat een terbeschikkingstelling van een minderjarig kind aan een bloed- of aanverwant in de eerste graad in de opgaande lijn onder de terbeschikkingstellingsregeling valt. Denkt u bijvoorbeeld aan de verhuur van een pand door een kind aan de BV van zijn ouder.

In de Wet inkomstenbelasting 2001 was dit geen terbeschikkingstelling en viel het pand bij het kind in box 3. Al enige tijd werd dit als een onvoorziene mogelijkheid gezien, die mogelijk het gevolg was van een slordigheid van de wetgever. Deze misser is nu met terugwerkende kracht gerepareerd.

Buitenlandse belastingplicht
Onduidelijk was of het terbeschikkingstellingsregime ook voor buitenlands belastingplichtigen geldt. De wettekst is daarom op dit punt verduidelijkt. Zij worden bij het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen aan een Nederlandse onderneming (of het Nederlandse deel van een onderneming) net zo behandeld als binnenlands belastingplichtigen.

Het eventuele belastingverdrag met de woonstaat van die belastingplichtigen zal uiteindelijk bepalen of het heffingsrecht aan Nederland (of aan de woonstaat) toekomt. In de praktijk zal het heffingsrecht van Nederland veelal beperkt blijven tot inkomsten uit onroerende zaken.

Nog meer informatie

Ook praktische tips in je mailbox?
Schrijf je in voor onze gratis nieuwsbrief en ontvang de nieuwste artikelen, gratis whitepapers en handige tips en tricks voor ondernemers.
Lees hier ons Privacy statement
Share on print
Share on facebook
Share on linkedin
Share on twitter
.
Beleggen in vastgoed is een langetermijnbelegging. Benieuwd wat jouw opties zijn? Lees meer in de brochure. Prognose gemiddeld jaarrendement over 7 jaar: 8,1%.

Lees ook…