Het Nieuwe Werken heeft mij veel gebracht, maar ook bakken met geld gekost. Jarenlang heb ik mij tegen betaling - door mijzelf - ter beschikking gesteld als proefkonijn voor digitale spullen die nog net niet helemaal uitontwikkeld waren.

Ben Tiggelaar is de vaste columnist van tijdschrift De Zaak. Hij is schrijver en trainer, met als doel: mensen te helpen hun dromen om te zetten in actie. Hij werkt vanuit eigen praktijkonderzoek, met veel gevoel voor entertainment en een gedegen achtergrond in gedragswetenschap.

(Haarlem, 11 november 2009) –  “Zo, nou nog even alles op schijf zetten. Computer uit. Floppydrive aansluiten. Computer weer aan. Shit. Accu leeg! Shit, shit, shit.”

In 1992 begon voor mij het Nieuwe Werken met de aanschaf van mijn eerste laptop: een Apple Powerbook 100. Destijds werkstudeerde ik en reisde het hele land door met m’n OV-kaart. Mijn Powerbook had een losse floppydrive en de accu was leeg voor de stoptrein van Groningen in Winschoten was.

Het waren mooie tijden. De trein was een gratis, verwarmde werkplek waar oude dametjes kwamen vragen wat voor rare, platte typemachine ik gebruikte.

Twee jaar later had ik mijn eerste modem – een 14.400 bits per seconde inbelapparaat, zwart met rode lampjes – en m’n eerste e-mailadres. Het was de tijd dat je ‘s ochtends om 9.00 uur vol spanning met je opdrachtgever belde om te controleren of je e-mail ook werkelijk was aangekomen. Ongeveer zoals ik tegenwoordig opa en oma bel om te checken of onze oudste dochter de treinreis naar Winschoten veilig heeft afgelegd.

Regelmatig ging het mailen mis en moest ik alsnog op pad met een floppy. Maar  mijn 14K4 modem scheelde mij in ieder geval de nachtelijk autoritjes. Daarvoor moest ik na het afronden van een artikel vaak het halve land door, vechtend tegen de slaap, om de floppy in een plastic tas aan een deurknop op een onguur bedrijventerrein te hangen. Nu kon ik gewoon naar bed, lekker dromen van digitale snelwegen en zo.

Mijn eerste mobiele telefoon kwam een jaar later. Een Sony. Geen ouderwets analoog ATF-ding, maar meteen een echte digitale GSM. De meeste mensen die ik erop belde klonken als een paniekerig buitenaards wezen dat door de CIA onder water werd gehouden. Onverstaanbaar, nergens bereik, maar reuzehip.

En mijn eerste iPhone kocht ik in 1999. Alleen was deze iPhone van Philips, kon je er niet mee bellen, had ‘ie een zwart-wit scherm en heette Nino. Ik maakte er aantekeningen op tijdens vergaderingen met zo’n pennetje (“Een minuutje. Sorry, ik ben nog aan het opstarten”) en deed mijn agenda ermee (“Shit, vergadering? Waar dan, in mijn agenda staat…. helemaal niets meer!”). Nadat ik twee keer al mijn gegevens was kwijtgeraakt, heb ik uit protest een ouderwetse leren agenda met een vulpen gekocht.

Ik zit natuurlijk een beetje te zeuren. De leren agenda is inmiddels weer ingeruild voor een MacBook Pro, een iPhone 16Gb en een MobileMe-account. Handig.

Bovendien. Al dat vroege experimenteren heeft me best veel opgeleverd. Al was het maar de vaardigheid om me niet meer gek te laten maken door iedere nieuwe mogelijkheid die wordt aangekondigd in de computerbladen. En al was het maar de kunst om zelf te baas te blijven in mijn Nieuwe Werken-universum.
Dat Nieuwe Werken vergt namelijk een grote zelfdiscipline. Voor je het weet warm je je ‘s avonds in bed aan je laptop in plaats van aan je partner. Voor je het weet sta je altijd en overal te mailen, te bellen en te plannen met je smartphone. Op het schoolplein, langs het voetbalveld, tijdens het ontbijt.

Het is handig dat je overal en altijd kúnt werken. Maar voor sommige mensen betekent dit dat je dus ook altijd en overal móet werken. Of minstens moet doen alsof je werkt. Dat is geen nieuw werken, dat is nieuwe slavernij.

Na zeventien jaar als digitaal proefkonijn doe ik daar niet meer aan mee.”

Eerdere columns van Ben Tiggelaar »

Share on print
Share on facebook
Share on linkedin
Share on twitter

Lees ook…