De Belastingdienst mag niet te veel treuzelen bij het opleggen van een (voorlopige) aanslag. Doet ze dat wel en ligt de aanslag niet binnen drie maanden bij u op de mat, dan mag ze over de periode daarna geen heffingsrente rekenen.

Heffingsrente

Als u inkomsten- of vennootschapsbelasting moet betalen, dan wordt heffingsrente berekend tot aan de dagtekening van de (voorlopige) aanslag. Ofwel: vanaf het moment dat u de aangifte inlevert tot het moment dat de (voorlopige) aanslag op de mat valt.

Sinds kort mag de Belastingdienst echter niet meer zelf te lang over een (voorlopige) aanslag doen en vervolgens toch doodleuk over de hele periode heffingsrente rekenen.

Daar is nu een maximum aan gesteld. De Belastingdienst moet ervoor zorgen dat u een aanslag ontvangt binnen 3 maanden nadat de aangifte of aanvulling op een aangifte binnen is. En als ze te laat, mag er geen extra heffingsrente worden berekend.

Hoge Raad
Dit is te danken aan een uitspraak van de Hoge Raad, die een zaak kreeg voorgelegd van een belastingplichtige die aangifte had gedaan voor de inkomstenbelasting en om een voorlopige aanslag had gevraagd.

Het duurde echter liefst 10 maanden voordat de Belastingdienst met een aanslag kwam. En over die aanslag werd ook nog eens 10 maanden heffingsrente berekend.

Tegen dat laatste bedrag tekende de belastingplichtige bezwaar aan: dat zou maximaal 3 maanden moeten zijn. Dat bezwaar werd echter niet gegrond verklaard, waarna ook zijn beroep werd afgewezen. Pas nadat hij in cassatie ging bij de Hoge Raad, werd hij in het gelijk gesteld.

Maximaal 3 maanden
De Hoge Raad stelde dat de belastingdienst binnen 3 maanden na ontvangst van een aangifte met een (voorlopige) aanslag moet komen. En als dat niet lukt, dan mag er geen heffingsrente worden berekend over de periode dat de Belastingdienst te laat is.

Share on print
Share on facebook
Share on linkedin
Share on twitter

Lees ook…