Share on print
Share on facebook
Share on linkedin
Share on twitter
Share on google
Geen voorziening kosten en lasten bij onderverhuur

Geen voorziening kosten en lasten bij onderverhuur

24 oktober 2011
U kunt toekomstige uitgaven in sommige gevallen nu al ten laste van de winst brengen. Daarvoor moet u dan een voorziening treffen én aan bepaalde voorwaarden voldoen.

Een ondernemer kan de uitgaven die hij in de nabije toekomst moet gaan doen, nu al ten laste van de winst uit onderneming brengen als die uitgaven betrekking hebben op kosten en lasten die zijn opgeroepen door de bedrijfsuitoefening in het afgelopen jaar. Dat kan door voor die kosten een voorziening op te voeren. Met zo’n voorziening wordt de aftrek van de kosten – en daarmee de belastingbesparing – vervroegd.

Drie voorwaarden
Om een voorziening te kunnen vormen, moet aan drie voorwaarden worden voldaan:

  • De uitgaven in de toekomst hebben betrekking op kosten en lasten die zijn opgeroepen door de bedrijfsuitoefening vóór de balansdatum; én
  • Er bestaat een redelijke mate van zekerheid dat die uitgaven zich zullen voordoen; én
  • Die uitgaven kunnen ook overigens aan de periode voorafgaand aan de balansdatum worden toegerekend.

Niet te soepel invullen
De invulling daarvan in de praktijk levert veel vragen op. Illustratief is de volgende procedure.

BV X verkocht in 2001 haar bedrijfspand aan dochtermaatschappij BV Z en ging dat pand vervolgens huren. BV X nam ongeveer de helft van het pand zelf in gebruik, de rest van het pand wilde zij gaan onderverhuren. In de aangifte over 2002 voerde BV X twee voorzieningen op, tot een totaalbedrag van € 3,3 miljoen. Als eerste een voorziening voor het leegstandsrisico. De BV stelde die voorziening op de contante waarde van de huur die zij in de toekomst volgens het huurcontract verschuldigd was over het gedeelte van het pand dat zij niet zelf in gebruik had. En als tweede een voorziening voor de kosten van inrichting van het gedeelte van het pand dat zij wilde gaan onderverhuren. De BV stelde dat zij de kosten van die inrichting voor haar rekening zou moeten nemen om het leegstaande gedeelte van het pand (onder)verhuurd te krijgen.

De inspecteur wees beide voorzieningen af, en in de daaropvolgende procedure deed Rechtbank Breda dat ook. Volgens de rechter kon het risico van leegstand uitsluitend worden toegerekend aan de jaren ná de balansdatum. Temeer omdat de BV niet aannemelijk had gemaakt dat de leegstand van het pand – beoordeeld op de balansdatum – naar verwachting structureel van aard was. Ook de inrichtingskosten werden volgens de rechter niet opgeroepen door de bedrijfsvoering in de jaren vóór de balansdatum. Die kosten ontstonden pas op het tijdstip dat in de onderhandeling met een onderhuurder de toezegging werd gedaan dat de BV de inrichtingskosten voor haar rekening zou nemen. De inspecteur had de vorming van beide voorzieningen terecht geweigerd.

Commentaar
De belanghebbende in deze procedure probeerde met een wel erg soepele invulling een substantiële voorziening te verkrijgen. Op de balansdatum stond vast dat zij nog jarenlang een huurverplichting had voor een deel van het pand dat op dat tijdstip leegstond. Maar dat die leegstand opgeroepen was door de bedrijfsuitoefening in de voorgaand jaren was allerminst duidelijk. En ook niet dat de uitgaven wegens die leegstand met een redelijke mate van zekerheid zich in de komende jaren gingen voordoen. De kosten van herinrichting waren helemaal een toekomstige zaak. Op de balansdatum stond in de verste verte niet vast of en zo ja tot welk bedrag de BV die kosten zou moeten maken. Al met al is dit geen voorbeeld ter navolging.  


Hans Zwagemaker is hoofdredacteur van BelastingBelangen, dat onder meer een digitale nieuwsbrief voor MKB-ondernemers uitgeeft. Hij is partner bij BDO CampsObers Accountants & Belastingadviseurs BV en spreekt regelmatig op fiscale congressen en seminars.
Voor meer informatie, zie: www.belastingbelangen.nl
 

Lees ook…