Zzp-handhaving blijft onduidelijk: ook 2026 start zonder heldere spelregels
Een jaar na de grote onrust rond schijnzelfstandigheid is de onzekerheid nog steeds niet verdwenen. Zzp’ers en opdrachtgevers begonnen 2025 met strengere handhaving in het vooruitzicht, maar zonder duidelijke grenzen. En die duidelijkheid is er begin 2026 nog altijd niet.
Hoewel de Belastingdienst actiever controleert, blijft per situatie beoordeeld worden of sprake is van echte zelfstandigheid of feitelijk dienstverband. Daarbij telt het totaalplaatje: gezagsverhouding, inbedding in de organisatie, tarief, ondernemersrisico en zelfstandige uitvoering. Eén losse maatregel – zoals een zzp’er niet meenemen naar een personeelsuitje – is bij lange na niet genoeg.
De verlengde ‘zachte landing’ betekent dat ook in 2026 terughoudend wordt omgegaan met verzuimboetes. Maar dat biedt schijnzekerheid. Naheffingen loonbelasting en premies blijven mogelijk, met terugwerkende kracht tot 1 januari 2025. In de praktijk lopen die bij grotere opdrachtgevers al op tot miljoenen.
Door die onzekerheid kiezen sommige bedrijven voor tussenconstructies of stoppen ze preventief met zzp’ers. Dat leidt tot hogere kosten, extra schijven in de keten en – zeker in sectoren als zorg, bouw en techniek – blijvende personeelstekorten. Ondertussen stopten in 2025 tienduizenden zzp’ers, vooral in zorg en technische beroepen, zo blijkt uit CBS-cijfers.
Twee wetsvoorstellen moeten uiteindelijk duidelijkheid brengen: de VBAR en de Zelfstandigenwet. Maar of, wanneer en in welke vorm die ingaan, is nog onzeker.
Advies van De Zaak: Ga er niet van uit dat ‘uitstel’ gelijkstaat aan ‘veilig’. Beoordeel arbeidsrelaties zorgvuldig, gebruik tools zoals de Scan Schijnzelfstandigheid, en raadpleeg een jurist bij twijfel. Zowel zzp’er als opdrachtgever verkleint zo het risico op naheffingen en abrupte koerswijzigingen later in 2026.
Schenk- en erfbelasting 2026: nieuwe bedragen om belasting te besparen
Met de start van 2026 zijn de vrijstellingen en schijven voor de schenk- en erfbelasting opnieuw aangepast voor inflatie. De percentages blijven gelijk, maar de bedragen schuiven en juist daar zit vaak het verschil tussen slim plannen en onnodig belasting betalen.
Hoeveel belasting je betaalt bij schenken of erven hangt af van de relatie én de waarde. Voor partners en kinderen geldt in 2026 een tarief van 10% tot € 158.669 en 20% daarboven. Voor kleinkinderen loopt dat op tot 18% en zelfs 36%, terwijl ‘overige verkrijgers’ tot 40% erfbelasting betalen. De Belastingdienst publiceert deze tarieven jaarlijks, maar ze worden in de praktijk vaak te laat benut.
Ook de vrijstellingen zijn verhoogd. Partners kunnen in 2026 € 828.035 belastingvrij erven. Voor kinderen en kleinkinderen ligt de vrijstelling op € 26.230. Dat lijkt beperkt, maar juist door testamentair te sturen – bijvoorbeeld via een kleinkind legaat – kun je per kleinkind duizenden euro’s erfbelasting besparen.
Daarnaast kun je in 2026 weer belastingvrij schenken:
- € 6.908 per jaar aan een (pleeg)kind
- € 2.769 aan kleinkinderen of anderen
- eenmalig tot € 33.129 aan kinderen van 18–39 jaar
- of € 69.009 voor een dure studie van een kind tussen de 18-39 jaar
Let op: voor eenmalige schenkingen is altijd aangifte nodig. De jubelton is definitief verleden tijd.
Advies van De Zaak: Wacht niet tot ‘later’. Controleer begin 2026 je testament en schenking strategie. Kleine aanpassingen kunnen grote fiscale gevolgen hebben. In onze artikelen over tarieven erfbelasting en belastingvrij schenken lees je hoe je vrijstellingen optimaal benut – vóórdat de Belastingdienst meedeelt.
Minimumloon 2026 stijgt: dit moet je als werkgever nú checken
Per 1 januari 2026 stijgt het wettelijk minimumloon opnieuw. Voor veel ondernemers is dit geen verrassing, maar de impact wordt vaak onderschat. Zeker nu het minimumloon per uur wordt vastgesteld en twee keer per jaar wordt aangepast, liggen fouten in de loonadministratie sneller op de loer.
Het minimumuurloon voor werknemers van 21 jaar en ouder stijgt per 1 januari 2026 naar € 14,71. Dat is een verhoging van 2,15% ten opzichte van juli 2025. Omgerekend betekent dit een minimumloon van € 2.294,40 bruto per maand bij een fulltime werkweek.
Minimumloon per uur: geen uitzonderingen meer
Sinds de invoering van het wettelijk minimumuurloon in 2024 geldt één vast minimum per gewerkt uur, ongeacht de lengte van de werkweek. Het eerdere onderscheid tussen 36-, 38- en 40-urige werkweken is daarmee verdwenen. Dat maakt de regels eenvoudiger, maar ook strenger: elke fout in het aantal gewerkte uren werkt direct door in het loon.
Naast het basisloon tellen ook toeslagen, bonussen, provisies en fooien mee bij de toets aan het minimumloon. Vakantiegeld, kostenvergoedingen en winstuitkeringen tellen juist níét mee.
Cao of niet: de wet gaat altijd voor
Een veelgemaakte misvatting is dat een cao-afspraak het minimumloon kan ‘overrulen’. Dat is niet zo. Als het cao-loon lager uitkomt dan het wettelijk minimumloon, dan geldt altijd de wet. Werknemers die hierover procederen, krijgen structureel gelijk van de rechter.
Voor sectoren met veel medewerkers in de lagere loonschalen – zoals bouw, techniek, logistiek, productie en horeca – betekent een minimumloonstijging vaak dat ook hogere schalen moeten worden opgetrokken om loonverschillen in stand te houden. De werkelijke kostenstijging ligt daardoor vaak hoger dan alleen het minimumloon.
Vergeten verhogingen zijn duur
Het minimumloon wordt standaard aangepast op 1 januari en 1 juli. In de praktijk blijkt dat vooral de juli-aanpassing regelmatig wordt gemist. Dat kan vervelende gevolgen hebben: onderbetaling is strafbaar en kan leiden tot boetes die oplopen tot € 10.000 per werknemer, afhankelijk van de duur en ernst van de overtreding.
Advies van De Zaak: Controleer deze week of je salarissoftware de nieuwe bedragen correct verwerkt. Vergeet ook de jeugdlonen niet; deze stijgen evenredig mee. Een kleine administratieve misser in januari kan aan het eind van het jaar leiden tot een kostbare hersteloperatie en boetes. Lees meer in ons volledige artikel over het minimumloon.
Winterweer en personeel: wat mag (en moet) je als werkgever doen?
Sneeuw, ijzel en uitgevallen treinen zorgen begin januari voor grote problemen op de weg en het spoor. Voor veel werkgevers rijst dezelfde vraag: mag personeel thuisblijven bij extreem slecht weer? Het korte antwoord: niet automatisch. Maar als werkgever kun – en móét – je wel handelen.
Thuisblijven is geen wettelijk recht
Volgens arbeidsrechtadvocaten is slecht weer op zichzelf geen geldige reden voor een werknemer om zomaar weg te blijven. Werknemers zijn in principe zelf verantwoordelijk om op het werk te verschijnen, ook als het openbaar vervoer uitvalt.
Overleg en maatwerk zijn cruciaal
In de praktijk wordt van werkgevers verwacht dat zij meedenken. Thuiswerken ligt voor de hand als het werk dat toelaat. Is dat niet mogelijk, dan zijn alternatieven gebruikelijk: aangepaste werktijden, meerijden met een collega of het opnemen van een verlofdag. Goed werkgeverschap betekent hier: redelijk en flexibel omgaan met de situatie.
Extra verantwoordelijkheid bij gevaarlijke omstandigheden
Als overheden oproepen om niet de weg op te gaan, kun je als werkgever niet afwachten wie er komt opdagen. In dat geval moet je maatregelen nemen, zoals het tijdelijk sluiten van het bedrijf of werknemers expliciet thuis laten blijven.
Voor medewerkers die buiten werken – zoals in de bouw, logistiek of bezorging – geldt een extra zorgplicht. Je moet zorgen voor veilige werkomstandigheden. In sommige sectoren kan bij extreme omstandigheden de regeling onwerkbaar weer gelden, afhankelijk van de cao.
Advies van De Zaak: Inventariseer bij winterweer direct: welke functies thuis kunnen werken, waar aanpassing van werktijden mogelijk is, en of de cao afspraken bevat over onwerkbaar weer. Maak dit beleid vooraf duidelijk. Dat voorkomt discussie, uitval én onveilige situaties op het moment dat het weer omslaat.
Belangrijke data voor ondernemers
- 1 januari: belangrijke wetswijzigingen
- 31 januari: uiterste aangifte- en betaaldatum btw 4e kwartaal 2025
- 31 januari: uiterste aangifte- en betaaldatum btw december 2025
- 31 januari: uiterste datum aanleveren Uitbetaalde Bedragen aan Derden (UBO)
- 14 t/m 22 februari: voorjaarsvakantie scholen regio’s midden en zuid
- 21 februari t/m 1 maart: voorjaarsvakantie scholen regio noord
- 18 februari: start ramadan
- 28 februari: uiterste aangifte- en betaaldatum btw januari 2026