Reken uit wat je in 2026 betaalt over spaargeld, beleggingen, uitgeleend geld en schulden, en wat het voorstel voor 2027 je extra kost.
Box 3 belast niet je vermogen maar een verondersteld rendement daarop. De Belastingdienst rekent per soort vermogen met een vast percentage: 1,28% over bank- en spaartegoeden, 6% over beleggingen en andere bezittingen, en 2,7% aftrek over je schulden. Over het rendement dat daaruit komt betaal je 36% belasting.
De volgorde is waar het misgaat. Eerst het rendement per soort vermogen, dan het gemiddelde rendementspercentage over je hele grondslag, en pas daarna het heffingsvrije vermogen van € 59.357 eraf, of € 118.714 met een fiscale partner. Wie het heffingsvrije vermogen meteen van zijn bezittingen aftrekt, rekent zich te arm. Van je schulden telt alleen het deel boven € 3.800 mee, of boven € 7.600 met een partner.
Peildatum is 1 januari. Wat je daarna in het jaar opneemt of bijstort, telt voor dit jaar niet mee. Was je werkelijke rendement lager dan het forfait, dan mag je dat doorgeven via de tegenbewijsregeling en betaal je over het echte rendement. Deze tool rekent met het forfait, dus met het bedrag waar de aanslag standaard op uitkomt.
Uitgeleend geld is de post die ondernemers het vaakst vergeten. Een familiehypotheek aan je kind, een lening aan een vriend of aan een zakenrelatie: voor de Belastingdienst is dat een vordering, en een vordering valt onder overige bezittingen. Je betaalt er dus belasting over alsof het 6% oplevert, ook als je maar een paar procent rente rekent. Daarom staat uitgeleend geld in deze tool apart van je spaargeld. Geld dat je aan je eigen bv leent valt niet in box 3 maar in box 1, onder de terbeschikkingstellingsregeling.
Voor 2027 stelt het kabinet voor om het forfait op overige bezittingen te verhogen naar 7,87% en het heffingsvrije vermogen te verlagen naar € 30.846 per persoon. Het tarief blijft 36%. De Tweede Kamer stemt daar op 12 november 2026 over. Kies in de tool voor 2027 en je ziet wat dat voorstel je per jaar extra kost ten opzichte van 2026.
Ja, bij degene die het geld uitleent. Leen je je kind geld voor een huis, dan heb jij een vordering op je kind en die telt in box 3 mee als overige bezitting, tegen het hoge forfait van 6%. De rente die je ontvangt is daarbij niet apart belast. Voor je kind is het een eigenwoningschuld in box 1, met renteaftrek als de lening aan de voorwaarden voldoet.
Als het Belastingplan wordt aangenomen, gaat het forfait op overige bezittingen van 6% naar 7,87% en zakt het heffingsvrije vermogen van € 59.357 naar € 30.846 per persoon. Wie beleggingen, vastgoed of uitgeleend geld in privé heeft, betaalt daardoor fors meer. Spaargeld blijft onder het lage spaarforfait vallen.
Over spaargeld rekent de Belastingdienst in 2026 met een verondersteld rendement van 1,28%, en over dat rendement betaal je 36% belasting. Boven het heffingsvrije vermogen van € 59.357 komt dat neer op ongeveer € 4,61 per duizend euro spaargeld per jaar.
Het heffingsvrije vermogen is € 59.357 per persoon en € 118.714 voor fiscale partners samen. Blijft je grondslag daaronder, dan betaal je geen box 3-belasting.
Bank- en spaartegoeden, beleggingen, cryptovaluta, een tweede woning, een verhuurd pand en uitgeleend geld. Je eigen woning met hypotheek valt in box 1 en het vermogen in je bv valt in box 2, dus die tellen hier niet mee.
Ja. Is je werkelijke rendement lager dan het forfaitaire rendement, dan geef je dat door aan de Belastingdienst en betaal je over het echte bedrag. Je moet dan wel je hele werkelijke rendement opgeven, inclusief waardestijgingen, en dat over al je bezittingen tegelijk.
Alleen boven de drempel. Van je schulden in box 3 telt het deel boven € 3.800 mee, of boven € 7.600 als je een fiscale partner hebt. Dat deel verlaagt je grondslag en levert een aftrek van 2,7% aan verondersteld rendement op.
Tarieven gecontroleerd op . Rekenen gebeurt in je browser. Kies je Bewaar terwijl je bent ingelogd, dan slaan we de samenvatting van je invoer en de uitkomst op in MijnZaak.