Vrijheidsbijdrage onder vuur: hoeveel inkomstenbelasting je in 2027 betaalt, staat nog niet vast

Het Belastingplan 2027 heeft in de Tweede Kamer nog geen meerderheid. Het grootste struikelblok is de zogeheten vrijheidsbijdrage. Het kabinet wil de belastingschijven en heffingskortingen in 2027 en 2028 maar voor een deel laten meestijgen met de inflatie, om zo de hogere defensie-uitgaven te betalen. Oppositiepartijen van links tot rechts willen de maatregel schrappen, maar ze zijn het oneens over de dekking. PRO wil dat topinkomens en grote vervuilers meer betalen; JA21 en BBB willen bezuinigen. Bij het wetgevingsoverleg van maandag kwamen D66, VVD en CDA nog niet met alternatieven. Het kabinet geeft pas na het herfstreces (16 tot en met 26 oktober) antwoord.

Wat betekent dit voor jou?

Heb je een eenmanszaak of vof? Dan betaal je inkomstenbelasting over je winst, en raakt de vrijheidsbijdrage jou net zo goed als een werknemer. Stijgen de schijfgrenzen en heffingskortingen minder hard dan de prijzen, dan valt een groter deel van je winst in een hoger tarief en houd je minder korting over. Dat gebeurt ook als je winst gelijk blijft. Voor 2027 rekent het kabinet op zo’n € 1,5 miljard aan extra opbrengst. Daar komt nog bij dat de zelfstandigenaftrek in 2027 daalt naar € 900 en dat de grens voor het toptarief van 49,5 procent bevroren blijft op € 78.426. Zolang er geen akkoord is, kan de uitkomst nog alle kanten op.

Advies van De Zaak: Reken er niet op dat de vrijheidsbijdrage verdwijnt, en wacht niet af tot de politiek eruit is. Zet voor 2027 iets meer opzij voor de inkomstenbelasting dan je nu doet. Geld dat je achteraf niet nodig blijkt te hebben, kun je altijd nog anders inzetten, terwijl een tekort bij de aanslag direct pijn doet. Heeft de Kamer over het belastingplan gestemd? Vergelijk dan je voorlopige aanslag 2027 met je verwachte winst en pas hem zo nodig aan in Mijn Belastingdienst Zakelijk.

Familiehypotheek van € 200.000? Het box 3-voorstel kan je € 1.755 per jaar extra kosten

Geld dat je privé uitleent, bijvoorbeeld aan je kind voor een huis, telt in box 3 niet als spaargeld, maar als vordering. Het valt daarmee onder de overige bezittingen, net als beleggingen en vastgoed, en daarvoor geldt een veel hoger forfaitair rendement: in 2026 6 procent, tegen 1,28 procent voor spaargeld. Met een Kamerbrief van 29 september stelt het kabinet voor om dat forfait in 2027 met 1,5 procentpunt te verhogen, naar 7,87 procent. Tegelijkertijd zakt het heffingsvrije vermogen naar € 30.846 per persoon. Daarmee wil het kabinet betalen dat het nieuwe box 3-stelsel een jaar later ingaat. Het voorstel moet nog door de Tweede en de Eerste Kamer.

Wat betekent dit voor jou?

Heb je in privé geld uitstaan bij je kind, een vriend of de onderneming van iemand anders, dan betaal je belasting over 7,87 procent fictief rendement. Welke rente je echt ontvangt, maakt niet uit. Wat telt, is het bedrag dat op 1 januari openstaat. Een voorbeeld: je leent € 200.000 uit tegen 3 procent rente, hebt geen fiscale partner en verder geen box 3-vermogen. Dan stijgt je box 3-belasting van € 3.038 in 2026 naar € 4.792 in 2027. Van de € 6.000 rente die je ontvangt, gaat dan ongeveer 80 procent naar de Belastingdienst. Een lening aan je eigen bv valt hier niet onder, want die zit in box 1. Met de rekentool in ons artikel reken je je eigen situatie door.

Advies van De Zaak: Zet vóór december alle leningen die je privé hebt uitstaan op een rij en reken uit wat ze je in 2027 kosten. Een hogere rente rekenen helpt niet. Er zijn twee dingen die wel werken. Ten eerste kun je (een deel) laten aflossen of kwijtschelden vóór 1 januari. Afgelost geld op je spaarrekening valt onder het veel lagere spaarforfait. Bij kwijtschelden aan je kind blijft in 2026 € 6.908 belastingvrij, of eenmalig € 33.129 als je kind tussen de 18 en 39 is. Ten tweede kun je je werkelijke rendement gaan bijhouden voor de tegenbewijsregeling. Let wel op: dan tellen ook de koerswinsten op je beleggingen mee. Wacht niet op de stemming in de Kamer, want de peildatum van 1 januari schuift niet op.

Cyberbeveiligingswet: als bestuurder moet je vóór 15 augustus 2028 aantoonbaar zijn bijgeschoold

De Cyberbeveiligingswet geldt sinds 15 augustus voor ruim 8.000 organisaties in 18 sectoren, waaronder energie, transport, zorg en digitale infrastructuur. Inmiddels is duidelijker wat de wet van het bestuur vraagt. Cyberbeveiliging is niet langer iets wat je bij de IT-afdeling of een externe partij kunt neerleggen. Het bestuur moet de maatregelen goedkeuren, toezien op de uitvoering en zelf genoeg kennis hebben om risico’s te kunnen beoordelen. Uitvoerende bestuurders moeten daarom een training volgen die aan wettelijke eisen voldoet, en krijgen daarvan een certificaat. Zittende bestuurders hebben daarvoor twee jaar de tijd, maar de zorgplicht zelf geldt nu al.

Wat betekent dit voor jou?

Voor de meeste kleine ondernemers geldt de wet niet direct, want bedrijven met minder dan 50 werknemers en maximaal € 10 miljoen omzet vallen er meestal buiten. Ben je bestuurder van een middelgroot of groot bedrijf in een van de sectoren, dan word je zelf aanspreekbaar. Een toezichthouder kan een bestuurder bijvoorbeeld laten schorsen als het bedrijf opgelegde maatregelen niet uitvoert. Ook als toeleverancier krijg je ermee te maken: klanten die onder de wet vallen, moeten hun leveranciersketen beveiligen en zullen afspraken met jou willen maken. Bijvoorbeeld over hoe snel je een incident aan hen meldt. In Weekoverzicht #32 lees je wie er onder de wet vallen en welke boetes er gelden.

Advies van De Zaak: Check via de NCSC-pagina over de Cyberbeveiligingswet of je bedrijf eronder valt. Is dat het geval, plan dan nog dit jaar de bestuurderstraining in en bewaar het certificaat. Je mag de training ook intern organiseren, zolang die voldoet aan de eisen uit het Cyberbeveiligingsbesluit. Zet cyberbeveiliging daarnaast als vast punt op de agenda van het managementoverleg. Ben je leverancier van een bedrijf dat onder de wet valt? Wacht dan niet tot je klant met een contractclausule komt. Leg nu al vast hoe je een incident binnen 24 uur doorgeeft en wie daarvoor het aanspreekpunt is.

Greentimer komt er toch: vanaf 2029 14% bijtelling voor een elektrische auto van 5 tot 8 jaar oud

Het kabinet heeft zich toch laten overtuigen en wil in 2029 een greentimerregeling invoeren. Rijd je een volledig elektrische auto van de zaak die vijf tot acht jaar oud is, dan geldt daarvoor een bijtelling van 14 procent over de cataloguswaarde. Dat heeft staatssecretaris Eerenberg de Eerste Kamer laten weten. In het voorjaar twijfelde het kabinet nog, omdat de groep die er gebruik van zou maken klein is en er weinig klimaatwinst te halen valt. De greentimer moet een duurzaam alternatief worden voor de youngtimerregeling, die in stappen strenger wordt. Volgens het Belastingplan 2027 moet een youngtimer in 2027 minimaal 17 jaar oud zijn en vanaf 2028 minimaal 20 jaar. De eerder geplande sprong naar 25 jaar gaat daarmee niet door.

Wat betekent dit voor jou?

Rijd je een youngtimer, dan betaal je nu 35 procent bijtelling over de dagwaarde. Wordt je auto in 2028 nog geen 20 jaar oud, dan kan hij tijdelijk uit de regeling vallen. Dat speelt bijvoorbeeld bij auto’s van rond 2009 tot en met 2011. Je betaalt dan bijtelling over de oorspronkelijke cataloguswaarde, en dat is vaak een veel hoger bedrag. Overweeg je een gebruikte elektrische auto, dan is de greentimer interessant: 14 procent in plaats van het reguliere tarief, dat voor een EV vanaf 2028 22 procent van de volledige cataloguswaarde is. Omdat oudere EV’s vaak een hoge cataloguswaarde hebben, schat het kabinet het voordeel op ongeveer een kwart ten opzichte van een vergelijkbare nieuwe auto.

Advies van De Zaak: Zoek de datum van eerste toelating van je youngtimer op en kijk of hij op 1 januari 2028 al 20 jaar oud is. Is dat niet zo, reken dan nu uit wat je bijtelling over de cataloguswaarde in 2028 wordt, en zet dat naast de kosten van een andere auto. Twijfel je over een elektrische occasion, koop hem dan niet alleen vanwege de greentimer. De regeling begint pas in 2029, staat nog niet in de wet en het percentage kan nog veranderen. Reken daarom eerst met de bijtelling die nu geldt.

Belangrijke data voor ondernemers

  1. 10 tot en met 18 oktober:
    • herfstvakantie scholen regio noord

  2. 17 tot en met 25 oktober:
    • herfstvakantie scholen regio midden en zuid

  3. 31 oktober:
    • uiterste aangifte- en betaaldatum btw derde kwartaal 2026

    • uiterste aangifte- en betaaldatum btw maand september 2026

  4. 30 november:
    • uiterste aangifte- en betaaldatum btw maand oktober 2026 

  5. 1 december:
    • uiterste datum aan- of afmelden Kleineondernemersregeling (KOR) per eerste kwartaal volgend jaar

  6. 19 december t/m 3 januari 2027:
    • kerstvakantie scholen regio's noord, midden en zuid

  7. 25 en 26 december:
    • eerste en tweede kerstdag

  8. 31 december:
    • uiterste deponeringsdatum jaarrekening 2025

    • uiterste aangifte- en betaaldatum btw maand november 2026

    • peildatum rekening-courant maatregel

    • uiterste datum aanvragen toeslagen