Wanneer je investeert in bedrijfsmiddelen, moet je de aanschafkosten over meerdere jaren uitsmeren. De berekening vindt plaats op basis van de historische kostprijs, de geschatte gebruiksduur en de restwaarde. Waar moet je allemaal op letten?


1. “Waarom wordt de aankoopprijs uitgesmeerd?”

“Omdat je normaalgesproken meerdere jaren plezier hebt van je aanschaf, dien je de kosten minus de verwachte restwaarde van het bedrijfsmiddel over de toekomstige jaren uit te smeren”, vertelt fiscalist Peter Furer van de Gibo Groep Accountants en Adviseurs.

“De jaarlijkse afschrijving wordt berekend op basis van de historische kostprijs, de geschatte gebruiksduur en de restwaarde.”

2. “Wat is dat, de historische kostprijs?”

“De historische kostprijs houdt in dat je alle kosten die je onderneming maakt om een bedrijfsmiddel te verkrijgen meetellen voor de afschrijving. Ook al komt het uiteindelijke bedrag hoger uit dan de economische waarde van het bedrijfsmiddel”, zegt Eric van Uunen van Marree & Van Uunen Belastingadviseurs.

Voorbeelden van de kosten die meetellen, zijn transport- en installatiekosten en bij onroerende zaken de makelaars- en notariskosten en de overdrachtsbelasting.

Furer vult aan: “Die uitgaven maken dus deel uit van de aanschafprijs van het bedrijfsmiddel. Bij een door jezelf vervaardigd bedrijfsmiddel moet je de voortbrengingskosten als uitgangspunt nemen. Daaronder vallen bijvoorbeeld ook de kosten van het eigen personeel.”

3. “Wat is de rol van de restwaarde?”

De restwaarde is de waarde die het bedrijfsmiddel heeft aan het einde van de (geschatte) gebruiksduur. Deze moet je aan het begin van de afschrijvingsperiode schatten.

Furer: “Als blijkt dat je de restwaarde verkeerd hebt ingeschat, dan moet je de jaarlijkse afschrijvingen aanpassen.”

Van Uunen maakt de rol van de restwaarde inzichtelijk met een rekenvoorbeeld. “Stel, een ondernemer koopt een hijskraan voor € 100.000,-. De geschatte restwaarde is € 20.000,- ofwel twintig procent van de aanschafprijs. Wordt de hijskraan in vijf jaar afgeschreven dan bedraagt de jaarlijkse afschrijving: € 100.000 x 80% / 5, ofwel € 16.000,-.”

4. “Hoe de afschrijvingsduur te bepalen?”

“Je kunt de te verwachten gebruiksduur van het bedrijfsmiddel in je onderneming natuurlijk niet op de dag af nauwkeurig voorspellen”, zegt Furer.

“Daarom zul je bij het begin van de afschrijvingsduur een schatting moeten maken. Daarbij is de kortste van de technische en economische levensduur van het bedrijfsmiddel bepalend.”

5. “Wat als de schatting achterhaald blijkt?”

Wijkt de gebruiksduur af van de oorspronkelijke inschatting, dan moet je het afschrijvingspercentage voor de toekomstige jaren bijstellen.

Furer: “De oudere afschrijvingen hoef je niet te corrigeren, tenzij de schatting al vanaf het allereerste begin onjuist was.”

En een bedrijfsmiddel kan natuurlijk kapot gaan. Van Uunen gebruikt als voorbeeld een laptop. “Die moet je in vijf jaar afschrijven. Maar als de laptop na twee jaar stukgaat, dan mag je de waarde die in de boeken staat, in één keer afschrijven.”

6. “Wanneer mag het bedrag in één keer ten laste van de winst komen?”

Bedrijfsmiddelen waarvan de aanschaf- of voortbrengingskosten minder bedragen dan € 450,- mag je ineens ten laste van uw jaarwinst brengen.

“Deze grens is ook van belang voor de investeringsaftrek”, tipt Furer. “Een bedrijfsmiddel waarvan de aanschaffing- of voortbrengingskosten minder bedraagt dan € 450,- kan wel in één keer ten laste van het resultaat worden gebracht, maar je hebt hiervoor geen recht op kleinschaligheidsinvesteringsaftrek.”

U hebt pas recht op investeringsaftrek als je in 2021 voor meer dan € 2.400,- investeert in bedrijfsmiddelen.

7. “Zijn er (wettelijke) beperkingen?”

Op goodwill mag maximaal tien procent van de aanschafkosten worden afgeschreven. Op overige bedrijfsmiddelen geldt een jaarlijkse afschrijving van maximaal twintig procent van de aanschaf- of voortbrengingskosten.

“Op deze hoofdregel geldt één uitzondering: wanneer de bedrijfswaarde lager is, mag het bedrijfsmiddel worden gewaardeerd op die lagere bedrijfswaarde. Maar de bewijslast hiervoor ligt bij de ondernemer”, zegt Furer. Dit geldt echter niet als de waardedaling van het bedrijfsmiddel kortstondig van aard is.

8. “In het kort: Wat is afschrijven?”

Afschrijvingen geven weer in hoeverre bedrijfsmiddelen zoals machines, gebouwen en auto’s in een bepaalde periode in waarde dalen door bijvoorbeeld slijtage en veroudering. Deze daling wordt uitgedrukt in een bedrag dat u van uw opbrengsten mag aftrekken, ofwel afschrijven. Daarmee hebben afschrijvingen direct invloed op uw winst of verlies.

9. “Is er één vaste afschrijvingsmethode?”

“Nee. De twee meest bekende fiscale afschrijvingsmethoden zijn de lineaire en de degressieve afschrijving”, vertelt Furer.

Een éénmaal gekozen methode kan niet zomaar gedurende de afschrijvingsperiode worden gewijzigd in een andere methode. Bij een lineaire afschrijving wordt er jaarlijks een vast bedrag ten laste van de winst gebracht. In geval van degressieve afschrijving vindt de jaarlijkse afschrijving plaats als vast percentage van de boekwaarde of op basis van een jaarlijks dalend percentage.

Furer: “Voordeel hiervan is dat de eerste jaren hogere bedragen ten laste van de winst worden afgeschreven. Toepassing van de degressieve afschrijving is niet toegestaan bij onroerende zaken of auto’s.”

10. “Geldt de versnelde afschrijvingsregeling nog?”

Nieuwe bedrijfsmiddelen mag je willekeurig of versneld afschrijven. Het maximumbedrag dat je willekeurig kan afschrijven, is gelijk aan het maximumbedrag voor de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek. Zijn de kosten van de nieuwe bedrijfsmiddelen hoger dan het maximum? Dan kan je zelf kiezen op welke bedrijfsmiddelen je willekeurig afschrijft.

Furer: “Dat betekent dus dat je het bedrijfsmiddel desgewenst in twee jaar kunt afschrijven tot op de restwaarde.” De investeringen die niet onder de regeling vallen, zoals gebouwen, vind je op de site van de Belastingdienst.

11. “In welke andere gevallen mag je willekeurig afschrijven?”

Startende ondernemers mogen zelf kiezen in welke termijn ze hun investeringen afschrijven. “Of dat gunstig is, hangt af van een aantal factoren”, meent Furer.

“Denk bijvoorbeeld aan de hoogte van de inkomensafhankelijke bijdrage voor de Zorgverzekeringswet en eventuele toeslagen zoals de huurtoeslag, kindertoeslag en zorgtoeslag. Het is verstandig de effecten samen met je adviseur door te rekenen.” Een andere interessante regeling is de Willekeurige afschrijving op milieu-investeringen (VAMIL).

12: “Hoe zit het met het bedrijfspand?”

De boekwaarde van een bedrijfspand dat je zelf in gebruik hebt, mag niet verder dalen dan tot 50% van de WOZ-waarde. Als je het bedrijfspand voor 70% of meer verhuurt dan mag slechts tot de WOZ-waarde worden afgeschreven.

Zie ook:
Afschrijvingen: wat komt er allemaal bij kijken »
De investeringsaftrek »

Share on print
Share on facebook
Share on linkedin
Share on twitter

Lees ook…